K.Schippers voor Joodse Huizen

GEDICHT K.SCHIPPERS

Naam en adres

 

Mensen die sneuvelen in mei 1940 of dan zelf

al niet meer willen leven, joden, onderduikers,

verzetsmensen, hun namen en adressen vereeuwigd

op een muur bij het Roelof Hartplein. Ze wonen

in huizen van een coöperatie:

 

de Samenwerking. Toen ik werd geboren, leefden

ze nog allemaal. In de Van Baerlestraat sta ik op

een tramhalte, aai van een voorbijganger zonder

naam, zijn jas langs mijn wang, hoog boven mij.

Mijn vader neemt mij mee

 

naar een vriend in het Nieuwe Huis. Wat gaan we

voor hem kopen? In een bloemenwinkel hangt

een schilderij van rozen, mijn vader lacht, maar

koopt geen bloemen. In een andere winkel ruikt

het naar gebak. De mensen achter

 

of voor ons kennen de verkoopsters al zo lang,

dat hoor je aan de grapjes, wij komen uit west.

In het Nieuwe Huis ruikt het deftig en wat zijn

de trappen er breed. Later loop ik in de geul

van een fietsenstalling, je wacht

 

zo langzaam in het postkantoor. Lopen we door

de Banstraat naar de Bronckhorst, waar iemand

naar buiten komt. In de Cornelis van der Linden

bedaarde bewegingen, aan de overkant achter

het raam. De bordjes op elke deur

 

zijn van email en daarop is een naam geschilderd

in het zwart, soms in het blauw, E. van Witsen,

M. de Vries, B. de Vries-Troetel, E. Hovenman-

de Vries, M. Joosten, J. Sondervan, G. Sondervan-

de Jong, S. van Raalte-Simons,

 

namen van mensen die je tegenkomt op straat.

Weet dan nog niet dat je beter geen huisnummer

kunt hebben, geen naam, geen lettervolgorde in

de vorm van een adres of een gezinsgrootte.

Daniel de Lange, Frans van Mieris,

 

Gerard Terborg, als ik er met mijn vader loop

kan ik iedereen nog tegenkomen. Jacob Obrecht,

Hobbema, Reijnier Vinkeles, september 1944, geen

elektra, worden er witte nummers op elk huis

gekalkt, lijn 24, bijna iedereen

 

is dan al weg. Misschien kun je beter nergens

wonen, een jongen met zijn vader tussen de

voorbijgangers. Toevallige aanrakingen in

de tijd dat ik nog niet weet waarom ik ergens

loop. Iedereen is er nog. Roelof Hart,

 

J. M. Coenen, Nicolaas Maes, een meisje pakt

haar sleutel, een vrouw komt uit een hoeden

winkel, ‘wat is dat voor groen?’ vraag ik.

‘Dat is nou jade’, zegt vader, ‘niet te

groen, niet te opvallend, niet te

 

doorschijnend’, heb ik in mijn tas een lijst

met adressen, toevalligheidsplekken, geen

enkel systeem, peper op rijst gestrooid,

huizen zonder betekenis. Het recht om niet

opgemerkt te worden, krijgt

 

elke voorbijganger een naam, een adres, heeft

hij naar me geknikt, stop, wat floten ze toen

nog veel op straat, stop, niet naar anderen

kijken, er is niets te zien, stop, en stop,

naam en adres, stop, stop.